Vorige week was de Fietsersbond aanwezig op Velo-City in Rimini, hét internationale fietscongres voor iedereen die rond fietsen werkt. Lees wat collega’s Inge, Wies, Thomas en Lena hebben opgemerkt en wat hen bijblijft.
Thomas Deweer: een Brusselse bril
Ik mocht voor een derde keer een Velo-city bijwonen. De eerste keer in Leipzig, Duitsland, in 2023, ging een hele wereld voor me open, ik zoog als een spons informatie op. Leipzig gaf me een sterke basis, ik legde belangrijke connecties om mijn werk als beleidsmedewerker te kunnen doen.
In 2024 was Gent aan de beurt. Het werd een waar fietsfeest, we toonden met trots aan de buitenwereld onze fiets(r)evolutie. Met een parallel congres zorgden we ervoor dat iedereen kon delen in de kennis. Sprekers die spraken op Velo-city gingen ook met de ‘gewone’ Vlaming en Brusselaar in gesprek. Gent gaf trots, fietsvreugde, goesting om voort te blijven doen.
Dit jaar, 2026, ging het jaarlijks internationaal fietscongres door in Rimini, Italië. Ditmaal zette ik vooral een Brusselse bril op. Want na de scheldpartijen op straat, de polarisatie, naar aanleiding van enkele circulatieplannen én een bijna twee jaar aanslepende regeringsvorming waar mobiliteit de splijtzwam was bij uitstek, lijkt er steeds meer een rem te staan op ons hoofdstedelijk fietsbeleid. Hoe vermijden we een stilstand? Hoe nemen we iedereen mee? Drie takeaways:
Andere steden kijken naar Brussel als voorbeeld, we mogen best trots zijn.
Parijs, Gent en Kopenhagen blijven de fietssteden bij uitstek. Maar steeds meer fietsexperts zijn stellig: als je wilt ervaren hoe een stad kan evolueren, ga dan naar Brussel. En dat klopt! Het aantal fietsers in Brussel neemt explosief toe, op 10 jaar bijna maal vier. De rol van burgers in het autovrij maken van de Anspachlaan blijft tot de verbeelding spreken en onze hoofdstad is als stad 30 pionier. Amsterdam zegt letterlijk op Velo-city: zonder Brussel was een zone 30 bij ons niet mogelijk geweest.
In Brussel zien we vaak wat niet goed gaat, we moeten ook de tijd nemen om te surplacen, te genieten van de behaalde successen.
We moeten obstakels overwinnen, doorzetten bij problemen, vooraleer we kunnen genieten van de voordelen van een fietsbeleid.
We moeten er niet flauw over doen. Grote infrastructuurwerken, een circulatieplan en nieuwe mobiliteitsgewoonten kosten moeite. Mensen en buurtbewoners zien de problemen vooraleer ze de voordelen ervaren. Op Velo-city worden successen gevierd, maar wat is het succesrecept?
- Zet door! De voordelen zullen enkel duidelijk worden als het project wordt afgewerkt. Half afgewerkte fietsroutes, teruggedraaide circulatieplannen, eindeloze discussies tussen overheden over het snelheidsregime en bevoegdheden vreten aan de legitimiteit van het fietsbeleid. Hoog tijd dus om dat fietspad op de kleine ring ook echt af te werken (Toison d’Or), de missing links tussen Vlaanderen en Brussel aan te pakken en door te zetten met de nieuwe cyclostrades.
- Stuur geen ingenieurs naar overleg met de wijk, blijf niet vastlopen op details, maar durf in dialoog te gaan over het waarom. Investeren in de fiets gaat over meer als investeren in de fiets alleen, een goed project gaat over publieke ruimte, de leefbaarheid van de buurt. En dat gaat eens te meer op voor die ‘moeilijke’ buurten.
If you invest in difficult neighbourhoods people act better, it is about a livable place.
We praten over fat bikes, waar we het over moeten hebben zijn de fat cars
Voor de Fietsersbond en andere fietsexperts op Velo-City is het simpel, een fat bike is gewoon een fiets met dikke banden. Zolang de fiets conform is aan de regels, lees geen opgedreven motor, is er geen probleem. Onze regels zijn duidelijk, aan de politie en douane om ze ook echt af te dwingen.
Problematischer zijn de fat cars. Onze regels laten steeds zwaardere en bredere auto’s toe op onze straten. Auto’s lijden aan auto-obesitas, de impact is vandaag reëel: Auto’s te breed voor enkel het parkeervak en ook een stuk van een fiets of voetpad innemen, overstekende kinderen die niet zichtbaar zijn van achter het stuur, straten die te smal zijn…

Tijdens mijn presentatie vindt mijn uitspraak ‘We need to talk about fat cars’ veel bijval, Wies roept fat car ‘Jeanine’ op als getuige in een fictieve rechtbank. Willen we ruimte voor een echt fietsbeleid, dan kunnen we niet aanvaarden dat we voor voldongen feiten gesteld worden, dat die ruimte al door een fat car is ingenomen.
Is het opnieuw aan Brussel om een pioniersrol te vervullen? “De regering zal tijdens de zittingsperiode een “Light and Safe”-zone (LISA) invoeren, waarbij de zwaarste personenwagens geleidelijk aan worden geweerd van haar grondgebied.” zo staat in het Brusselse regeerakkoord.
Wies Callens: woorden doen ertoe
Het was mijn achtste Velo-city, in Rimini. Het was ook de week waarin ik tien jaar bij de Fietsersbond volmaakte. Ik heb er die dag zelf niets over gezegd, want ik stond in Rimini, en op een of andere manier vertelde het congres mijn tien jaar beter dan ik het zelf zou kunnen. En ja, ik blijf bevooroordeeld, want ik mocht mee het programma voor de editie in Gent (2024) uitbouwen. Maar ook deze was een warme en waardevolle editie.
Woorden doen er toe, dat was de inzet van de twee sessies waarin ik mocht spreken, al was het in eentje meer spelen dan gewoon spreken. Het belang van de woorden en de taal in fietsbeleid, fietslobby en fietscultuur wordt soms nog te weinig onderkend. En net dat werd in die twee sessies duidelijk gemaakt. Net als het belang van het luisteren naar de ander. Het wegkomen vanuit een te eng perspectief en echt in discussie gaan met elkaar ook. Fietsbeleid gaat niet alleen over asfalt. Het gaat over de woorden waarmee we bepalen wie er in de straat mag bestaan. En dat verhaal moet je blijven maken, en herhalen, en nog eens herhalen.

Het zijn niet de zalen of de slides. Het is de community. Het terugzien van mensen uit heel Europa en de rest van de wereld die allemaal aan hetzelfde duwen, elk in hun eigen stad, regio of land en met hun eigen tegenwind. Je voelt je even minder alleen in het gevecht. Dat is zeldzaam, en het is veel waard.
Ook de drive in de Belgische fietscommunity is groot en dat bleek met de stand van de Belgian Cycling Alliance (of was het nu toch Belgian Cycling Approach) en de fel gegeerde #fietsvreugde petjes. Twee ministers die hun fietsambitie komen toelichten aan een internationaal publiek. Lof van de aanwezigen over de Vlaamse ambitie. En ook hier doen woorden ertoe. Terwijl op het podium de 300 miljoen euro Vlaamse fietsinvesteringen per jaar klinkt, is op het terrein iets anders zichtbaar: dit jaar is er maar 229 miljoen voorzien, en of het echt geïnvesteerd zal worden weten we pas eind december.
Het was ook een week van veel overleg in de marge, want op zo’n congres zie je iedereen en pak je sneller dingen vast. Met collega-beleidsmedewerkers van fietsersbonden in heel Europa, over grenzeloos fietsen, en over die eeuwige afweging van een lobbyorganisatie: constructief en kritisch tegelijk meebouwen met administraties en overheden aan wat die meer dan duizend deelnemers echt centraal stellen. Niet de fiets vanzelfsprekend noemen, maar hem het echt maken.
En dan de slotplenaire van Wim Bot, die me het langst is bijgebleven. Zijn punt was klein en groots tegelijk: zonder democratie geen vooruitgang, dus welk dossier we ook bespelen, we moeten dat principe mee bewaken. Tien jaar ver, en met de nodige builen, klinkt dat me logischer dan ooit. Je verliest gevechten, je twijfelt of het wel iets oplevert, en toch blijf je duwen. Dat is precies wat je op Velo-city van elkaar meekrijgt.
Lena Masselis: geen finishlijn
Het was mijn eerste Velo-city. In Rimini heb ik aan een sneltempo de internationale fietscommunity leren kennen. Mensen van over de hele wereld met dezelfde missie. En ik ben met ongelooflijk veel motivatie, inspiratie en interessante connecties teruggekeerd. Mijn takeaways:

Hoe krijgen we de volgende generatie op de fiets?
Ik ben het gewoon dat mijn leeftijdsgenoten fietsen. Daarom dat ik nog niet stil had gestaan bij deze vraag. Hoe spreken we jongeren aan om te fietsen? Een van de antwoorden blijkt vrij simpel: door jongeren te betrekken in besluitvorming. Blijkt ook dat dat nog veel te weinig wordt gedaan. Een goed voorbeeld is de Young ADFC uit Duitsland.
Fietsen is ook cultuur. Het is een reflectie van gedeelde waarden en de identiteit van een stad, zoals Lucy Hayes, Walking and Cycling Officer in Dublin, vertelde. Om meer mensen op de fiets te krijgen, moet dus niet altijd en niet overal eerst ingezet worden op betere fietsinfrastructuur. Soms gaat ‘build it, and they will come’ niet op. Op die plekken moet eerst ingezet worden op het veranderen van die gedeelde waarden.
Geen finishlijn.
Wat me het meest bijblijft, zijn de gesprekken met mensen van fietsorganisaties uit verschillende landen. Van Duitsland tot Hongarije tot Senegal. Hoewel we vaak dezelfde doelen delen (meer aandacht voor de fiets, betere infrastructuur, meer mensen op de fiets) voert iedereen zijn eigen ‘strijd’. Sommige collega’s uit andere landen zetten zich in voor zaken die wij in België al een tijd geleden hebben bereikt.
Dat leidde tot de realisatie dat deze ‘strijd’ geen finishlijn heeft. Er komt geen moment waarop alles ‘klaar’ is, waarop organisaties zoals de Fietsersbond kunnen zeggen: de missie is voltooid, nu zijn we niet meer nodig. Want ook de wereld rondom ons verandert, en niet altijd in ons voordeel. Kijk maar naar de auto’s die steeds langer en hoger worden. De opgave verschuift voortdurend. Eigenlijk is dat bevrijdend. Het betekent dat elke stap vooruit telt. Dat geen enkele win te klein is. Dat organisaties die zich inzetten voor betere fietsomstandigheden niet alleen vandaag relevant zijn, maar dat ook zullen blijven. En dat we, in plaats van naar een eindpunt, naar kleine overwinningen kunnen werken.


